Lezing: Mattheüs 3, 1-17
Voorganger: ds. Dick van der Vaart

Gemeente van Christus,

Johannes de Doper trad op in de woestijn. We krijgen een mooie beschrijving van zijn uiterlijk: hij droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel. Ik zie een grote, brede man voor me, met een lange baard. Hij voedde zich met sprinkhanen en wilde honing. Hij leefde als een asceet. Hij verzamelde geen voedselvoorraad voor een paar dagen. Hij was niet bang om honger te lijden maar at wat wel of niet op zijn pad kwam: sprinkhanen of wilde honing. “Geef ons heden ons dagelijks brood” nam hij letterlijk. Hij maakte zich geen zorgen voor de dag van morgen. Hij trok rond en riep tot de mensen die hij tegenkwam: “Kom tot inkeer want het Koninkrijk der hemelen is nabij!“

Het is mogelijk dat Johannes voor hij rond ging om mensen op te roepen tot inkeer te komen deel uit maakte van de sekte van de Essenen. De Essenen waren vrome joden die geloofden dat het einde der tijden nabij was. Ze verwachtten een streng oordeel van God. In afwachting daarvan zonderden ze zich af in een kloostergemeenschap in de woestijn. Ze probeerden daar aan het oordeel te ontkomen door een rein leven te leiden. Bij hun dagelijks leven hoorden rituele baden. Door zich onder te dompelen in water werden ze rein. Ze geloofden zo aan het oordeel van God te kunnen ontkomen. De rest van het joodse volk, de onreinen, maakten in hun ogen geen kans op redding.

Deze Essenen zijn beroemd geworden door de vondst van duizenden geschriften in een grot in Qumran. Een Palestijnse boer stuitte bij toeval op een groot aantal aardenwerken kruiken die schriftrollen van de Essenen bleken te bevatten. Omdat de wijze waarop Johannes de Doper over de doop spreekt vrijwel letterlijk overeenkomt met wat de Essenen daarover zeggen, neemt men aan dat Johannes in hun midden geleefd moet hebben.

Er is echter een belangrijk verschil tussen Johannes en de Essenen. De Essenen meenden dat slechts een uitverkoren deel van vrome joden aan het oordeel kon ontkomen door zich te laten dopen. Zij zonderden zich af in de woestijn en lieten de rest van het volk aan hun lot over.

Maar Johannes de Doper geloofde dat het hele volk aan het oordeel kon ontkomen door zich te laten dopen. Hij trekt zich het lot van het volk aan en reist rond met een vurige oproep aan het volk om zich te bekeren. En zijn oproep vindt gehoor. Velen komen om zich door hem te laten dopen.

De boodschap van Johannes is stevig. In onze tijd zouden we zeggen: “Hij preekte hel en verdoemenis.” Hij probeerde met zijn stevige woorden Joden wakker te schudden die meenden dat het tussen hen en God wel goed zat, omdat ze als jood al behoorden tot het volk van God. Tegen hen zegt hij:

“Adderengebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel? Breng liever vruchten voor die een nieuw leven waardig zijn! …De bijl ligt al aan de wortel van de boom: iedere boom die geen goede vrucht draagt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen.“ 

En dan wordt het nog erger:

“Ik doop jullie met water maar na mij komt iemand die jullie zal dopen met de Heilige Geest. En uit wat hij dan zegt blijkt dat hij voor zichzelf net zo streng is als voor anderen: “Ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur. Hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur.”

Pff…Je krijgt het er benauwd van! Johannes spreekt dreigende taal. Wat heerlijk dat er dan in vers 17 staat: “Toen kwam Jezus.” We kunnen opgelucht ademhalen. “Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.” Jezus komt en de sfeer verandert meteen. Johannes protesteert: “Ik zou door u gedoopt moeten worden!” Maar Jezus antwoord op kalme, liefdevolle toon: “Laat het nu maar gebeuren Johannes, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.” 

En dan dompelt Johannes Jezus onder in het water en toen Jezus uit het water omhoog kwam scheurde de hemel open en daalde de Heilige Geest als een vurige duif op Jezus neer en uit de hemel klonk een liefdevolle Stem: “Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.” 

 Rond Johannes hangt een dreigende sfeer. Jezus straalt liefde uit. Maar stemt Jezus door zich te laten dopen door Johannes niet in met zijn dreigende boodschap? Ik denk het niet. In het evangelie van Johannes lezen we Jezus’ visie op de doop. Jezus zegt daar tegen Nicodemus, de Farizeeër die in de nacht naar Jezus toekwam: “Alleen wie opnieuw wordt geboren kan het Koninkrijk van God zien.” En dan vraagt Nicodemus: “Hoe kan iemand geboren worden als hij al oud is?“ En dan antwoordt Jezus: ”Niemand kan het Koninkrijk van God binnengaan tenzij hij of zij geboren wordt uit water en Geest.”

Hiermee bedoelde Jezus niet dat je als je niet gedoopt bent je na je dood niet de hemel mag binnengaan. Het Koninkrijk van God is niet de naam voor de hemel. Ook is de naam “Koninkrijk der hemelen” geen aanduiding van de hemel. De Joden hadden grote eerbied voor de naam van God. Een zo grote eerbied dat ze liever spraken van Koninkrijk der hemelen dan van Koninkrijk van God. Maar in beide gevallen gaat het niet om de hemel waar wij na onze dood naartoe gaan. In beide gevallen gaat het om het Koninkrijk van God op deze aarde. Het Koninkrijk van God is op aarde daar waar mensen God lief hebben boven alles, de naaste als zichzelf en zorgdragen voor de vreemdeling, de weduwe en de wees en als rentmeesters omgaan met onze kostbare planneet aarde.

Waarom moeten wij nu geboren worden uit water en geest om het Koninkrijk van God op aarde binnen te gaan ? Dat is omdat we geboren worden als egocentrische mensen. Ik zeg bewust “egocentrisch”  en niet “egoïstisch”. In het woord “egoïsme” klinkt een negatief oordeel door. Het woord “egocentrisch” is een neutraal woord. Het is goed dat we egocentrisch geboren worden want anders zouden we niet overleven. Ons egocentrisme zorgde ervoor dat we als baby huilden als we honger hadden of het koud hadden. Ons egocentrisme zorgde ervoor dat we als kind in de buurt van onze ouders bleven omdat we zonder hun zorg en bescherming niet zouden overleven. En later zorgde ons egocentrisme ervoor dat we een opleiding gingen volgen om geld te kunnen verdienen om daarmee voedsel, kleding en een huis te kunnen kopen. Egocentrisme is een gave van God. Maar wanneer je daarin doorslaat wordt het egoïsme.

Dat egoïsme kun je zien als een ronddraaien om jezelf. In een klein cirkeltje draait je om jezelf en verbeeld je je dat het leven om jou draait. Je hebt geen oog voor God, de schoonheid van de natuur en je medemens.

Elders gebruikt Jezus het beeld van de graankorrel. De graankorrel moet in de aarde allen en sterven om vrucht voort te kunnen brengen. Maar het is niet de graankorrel die moet sterven dan zou er niets van overblijven. Jezus bedoelt dat het harde vlies rond de graankorrel moet openbarsten om de graankorrel te laten ontkiemen. En dan kan de kiem uitgroeien in het licht tot een goud-gele korenhalm die vrucht draagt.

In dit beeld kun je het menselijk egoïsme zien als de harde schil rond de graankorrel van onze ziel. Wanneer deze harde schil openbarst dan kunnen wij uitgroeien in het licht van God tot de liefdevolle, zorgzame mens die we kunnen zijn.

Johannes de Doper dreigde: God houdt de wan in Zijn hand, Hij zal het graan bijeenbrengen maar het kaf verbranden met onuitblusbaar vuur.” Ja, door het schudden van de wan wordt het kaf gescheiden van het koren. Het kaf valt door het gaas van de wan heen en het koren blijft erop liggen. Dat koren dat zijn wij. Het kaf dat zijn onze egocentrische neigingen. Die mogen worden verbrand. Dat is een bevrijding. Maar wij zijn kostbare graankorrels. Goud gele graankorrels. God legt ons liefdevol in zijn hand.

Gemeente, Johannes dreigt met hel en verdoemenis. Zo lijkt het, maar de hel komt niet voor in de bijbel. De mensen in Jezus’ tijd hadden daar geen voorstelling van. Op sommige plaatsen in de bijbel lijkt het zo te zijn maar neem van mij aan dat dit niet zo is.

Bovendien het geloof in de hel is in strijd met het geloof dat God een God van liefde is. Zou een God van liefde mensen voor eeuwig willen kwellen? Door Jezus zien we God. En Jezus zei: “Heb uw vijanden lief.“ Zou God Zijn vijanden dan niet liefhebben? Jezus zei: “Vergeef je naaste 70 x 70 x. Zou God ons dan niet vergeven? Jezus zei tegen de moordenaar die naast Hem hing aan het kruis: “Heden zul met mij in het paradijs zijn. En Hij bad aan het kruis voor Zijn moordenaars: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen.” En tenslotte. Jezus vertelde in de gelijkenis van de verloren zoon hoe Hij God zag: als een Vader die dagelijks op de uitkijk stond om te zien of zijn zoon al terug zou komen. En toen hij hem zag, rende hij hem tegemoet en nam hem in zijn armen. Al op de dag van zijn vertrek had de vader zijn zoon vergeven. Gemeente zo is God! Ren hem tegemoet en laat u door Hem omarmen.

Amen