Lezingen: Psalm 66 en Johannes 14, 1-14
Voorganger: ds. Dick van der Vaart
Gemeente van Christus,
Zoals ik al aan het begin van de dienst zei wil ik vanmorgen met u nadenken over de betekenis van de woorden van Jezus: “Ik ben de weg , de waarheid en het leven.“
Om te kunnen begrijpen wat Jezus hiermee heeft willen zeggen is het van belang dat we ons eerst voor de geest halen hoe hij was, wat voor een mens Hij was, hoe hij met Zijn medemensen omging en hoe hij op hen overkwam.
Wanneer ik mij Jezus voor de geest haal dan zie ik Hem in de heuvels van Galilea. Ik zie Hem daar staan omringd door een schare van mensen. Mannen, vrouwen en kinderen. Jezus staat in hun midden en hij spreekt tot hen. De schare luistert ademloos .
De schare bestaat uit heel verschillende mensen. Mannen, vrouwen, kinderen. Wat opvalt is dat de meeste mensen er nogal haveloos uitzien. Het zijn de mensen die leven in armoede. Het zijn de armen die Jezus omringen. Ook zijn er nogal wat mensen die om de een of andere reden door de samenleving uitgestoten zijn: mensen die veracht worden omdat ze samengewerkt hebben met de Romeinse overheerser of mensen die er in de ogen van anderen zedeloos leven op nahielden. Verder zijn er veel zieke en gehandicapte mensen. Kortom: de schare die Jezus omringt is een schare van mensen die er naar verlangt om weer in de samenleving opgenomen te worden. Het zijn mensen die op zoek zijn naar zelfrespect, naar waardering door anderen, naar liefde en vriendschap, naar hoop en vreugde. Het zijn deze mensen die ademloos naar Jezus luisteren want Hij spreekt hen liefdevol en vol respect toe.
Hij schenkt hen een gevoel van waardigheid. Hij schenkt hen weer hoop. Hij schenkt hen liefde. De mensen luisteren naar Jezus en worden vervuld van liefde, zelfrespect en hoop.
Wat Jezus aan die schare van arme, zieke en verachte mensen overbracht heeft denk ik drie aspecten.. Het eerste aspect: Het vaste geloof en de vurige hoop dat alles eens goed zal komen. De engelse mystica Juliana van Norwich heeft dit zo gezegd: All shall be well, all will be well, all manner of things shall be well.” Alles zal goed komen. Alles komt goed. Wanneer precies? Ik weet het niet. Hoe komt het goed? Ik weet het niet. Wat weet je wel? Ik weet, ik geloof dat alles eens goed komt. Dat is een basisvertrouwen, een grondvertrouwen.
Ik geloof dat Jezus dit basisvertrouwen aan de schare wist over te dragen. Ze luisterden naar Hem, ze ervoeren Zijn basisvertrouwen en ze voelden dit met Hem mee. Ze geloofden met Hem mee. Ze vertrouwden met Hem mee.
Het tweede aspect van wat Jezus aan die schare van maatschappelijk uitgestoten en verachte mensen schonk was het de ervaring volledig geaccepteerd te zijn. De mensen die naar Jezus luisterden voelden: deze mens aanvaard me volledig zoals ik ben. Ik word aanvaard. Ik mag er zijn zoals ik ben. Het is goed dat ik er ben! Dat is het tweede dat Jezus de schare schonk.
Het derde aspect van wat Jezus de schare schonk is de wens om ook anderen dat basisvertrouwen en die aanvaarding te schenken die Jezus hen geschonken had en de wens het lijden van anderen zoveel mogelijk op te heffen of te verlichten.
Wat Jezus de schare schonk heeft dus drie aspecten. 1 Het basisvertrouwen dat alles goed komt. 2 de ervaring volledig geaccepteerd te zijn. 3 de wens om de ervaring van het basisvertrouwen en van het aanvaard zijn ook aan anderen door te geven en daarbij de wens lijden van medemensen zoveel mogelijk te verlichten of weg te nemen.
Nu staan we vanmorgen stil bij de woorden van Jezus: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Deze woorden van Jezus moeten begrepen worden in het licht van de ervaring die Jezus de schare schonk.
Gemeente, wanneer je de woorden van Jezus in dit licht zet dan komen ze in een ander kader te staan dan die waarin ze lange tijd gestaan hebben. Lange tijd hebben vele mensen in de kerk gedacht : “Jezus heeft gezegd: Ik ben de weg en de waarheid en het leven. Dat betekent dat er buiten Jezus om geen heil te vinden is. Jezus is de enige ware weg. De andere wegen zijn dwaalwegen.” Het is ook wel te begrijpen dat men dit dacht want ook wanneer je leest hoe deze woorden in de Groot Nieuws vertaling van vanmorgen staan, dan denk je toch: het staat er toch zo? Er staat toch: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Iemand kan alleen naar de Vader gaan via Mij?“ Dat lijkt nogal duidelijk.
Het lijkt nogal duidelijk maar wanneer je kijkt in welk kader Jezus deze woorden spreekt dan zie je dat dit kader niet de vraag is of er in andere godsdiensten ook heil te vinden is. Jezus zegt niet: in andere godsdiensten is geen heil te vinden. Daar gaat het niet over in het gesprek dat Jezus met zijn leerlingen voert. De uitspraak van Jezus: “Ik ben de weg.” klinkt in een gesprek waarin Jezus zijn leerlingen voorbereid op Zijn heengaan. Jezus zegt: “Ik ga heen om plaats voor jullie te bereiden. Maak je niet ongerust. Wanneer Ik dat gedaan heb kom ik jullie halen. Dan zullen ook jullie zijn waar Ik ben. En je weet de weg naar de plaats waar ik heenga.” En dan zegt Tomas: “Maar Heer we weten niet waar U naar toe gaat. Hoe kunnen we dan de weg daarheen weten?” En op die vraag antwoordt Jezus: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Iemand kan allen naar de Vader gaan via Mij.”
Dit Schriftgedeelte staat denk ik wat ver van ons af. Wat bedoelt Jezus wanneer hij zegt: Ik ga heen om plaats voor jullie te bereiden? Wat bedoelt hij wanneer hij zegt dat Hij Zijn leerlingen zal komen halen? Dat zijn vragen waarop ik vanmorgen geen antwoord heb. Duidelijk is in ieder geval dat Jezus weet dat hij zal sterven en dat hij zijn leerlingen voorbereid op Zijn heengaan. Hij maakt hun duidelijk dat zijn dood geen onoverbrugbare kloof tussen Hem en zijn leerlingen hoeft te vormen. Wanneer de leerlingen de weg gaan die Jezus gaat dan blijven ze met Hem en met zijn Vader verbonden.
Wat is de weg die Jezus voor ogen heeft? Dat is de weg naar de vrijheid. De weg naar de vrijheid die de inwoners van Babel zijn gegaan. Het is de weg naar de vrijheid die Abraham is gegaan. Het is de weg naar de vrijheid die het volk Israël is gegaan. De inwoners van Babel waren doodsbang elkaar kwijt te raken. Ze bouwden een grote muur om hun stad. Ze bouwden een toren tot in de hemel om niet te verdwalen. Ze sloten zichzelf op in hun stad. Ze voelden zich veilig in de stad. Maar het was de veiligheid van een gevangenis. God krijgt medelijden met hen. Hij verwart hun spraak en wijst hun de weg uit hun angst: verlaat de gevangenis die je zelf gebouwd hebt. Ga de weg van de vrijheid. Ga de wereld in.
Hetzelfde zien we bij Abraham. Hij woonde in Ur de Chaldeeën. Men geloofde daar dat het lot van de mensen in de sterren geschreven stond en daarmee muurvast lag. God zegt tegen Abraham: “Trek weg uit dat doodse land waar alles vast ligt. Ga op weg naar het land dat Ik je wijzen zal.” En we zien het ook bij het volk Israël. Lange tijd is het volk gevangen in de slavernij van Egypte. Dan zegt God tegen zijn volk. Ga de weg door de woestijn. Ik leid je naar een land vloeiende van melk en honing. De bewoners van Babel. Abraham en het volk Israël: ze begeven zich alle drie vanuit een gevangenschap op de weg naar de vrijheid.
De leefregels van God, de leefregels die God aan Mozes gaf, worden zoals u weet “Thora “ genoemd. “Thora “ kan het beste worden vertaald als wegwijzer. De leefregels van God wijzen de weg naar het beloofde land. De thora kan zo ook zelf “weg“ worden genoemd.
De weg van de thora is de weg naar de vrijheid.
Wanneer Jezus nu zegt: “ Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” Dan klinkt daarin: de weg naar de vrijheid. De weg naar de vrijheid die de bewoners van Babel en Abraham en het volk Israël gegaan zijn. Dan klinkt daarin een verwijzing naar de leefregels van God. Wanneer Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven.” dan roept hij zijn leerlingen en ons op om ook die weg naar de vrijheid te gaan. Om de richtingwijzers van de thora te volgen. Om de weg te volgen die Jezus is voorgegaan.
Wanneer Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.”, dan wil hij daarmee niet zeggen dat er in andere godsdiensten geen heil te vinden zou zijn. Deze woorden van Jezus zijn niet gericht tegen gelovigen in andere godsdiensten. Deze woorden van Jezus zijn gericht tegen mensen, tegen volken die zich bevinden op een weg die voert naar de onvrijheid. Deze woorden van Jezus zijn gericht tot de bewoners van Babel en Ur en tot de Egyptische slavendrijvers. Tot hun zegt Jezus: Jullie bevinden je op de weg van de onvrijheid. Dat is niet de goede weg. Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Ik ben de weg naar de vrijheid.
Het volgende verhaal kan duidelijk maken wat de weg van Jezus inhoudt. De weg van Jezus die in essentie de weg van de liefde is:
Er was een heel klein mannetje. Hij was heel klein en werd daarmee veel geplaagd. Hij werd uitgelachen en door anderen vaak ruw aan de kant geschoven wanneer ze vonden dat hij hen in de weg liep. Soms was het zo erg dat ruwe mannen hem als speelbal gebruikten en overgooiertje met hem speelden. Dit kleine mannetje ontmoette op een dag een goede fee. De goede fee sprak tot hem: Je mag een wens doen. Je mag een wens doen en ik zal die wens voor je vervullen. Maar denk er goed over na want ik kan maar een wens voor je in vervulling laten gaan. Het kleine mannetje hoefde echter geen seconde na te denken. Hij wist meteen wat hij wilde: groter worden. “Ik weet al wat ik wil!“ riep hij enthousiast tegen de goede fee. “Ik wil groter worden!” “Ik kan je wens niet meteen in vervulling laten gaan.“ zei de goede fee.
“ e moet er een week over nadenken.“ Blij ging het kleine mannetje naar huis. Volgende week zou hij groot worden. Maar op weg naar huis hoort hij gehuil. Hij onderzoekt waar het vandaan komt en vindt een konijn dat vast zit met zijn nek in een strop. “Maak me los,“ huilt het konijn. “Ik moet naar huis want ik heb een nest met jongen.” Het kleine mannetje probeert uit alle macht de klem los te maken maar het ontbreekt hem aan kracht. Hij is er te klein voor.
Wat moet hij doen? Hij besluit onmiddellijk naar de goede fee te gaan. “Er zit een konijn vast in een klem. Ze heeft jongen. Je moet haar bevrijden!” zegt hij tegen de fee. “Dat wil ik wel doen.” zegt de fee. “Maar denk er om. Ik kan maar een wens voor je vervullen. Wanneer ik het konijn bevrijd dan kan ik je niet meer groter maken.” Het kleine mannetje raakt in hevige tweestrijd. Hij wil zo graag groot worden! Maar hij kan het konijn niet laten stikken. Dan neemt hij een besluit: “Bevrijd het konijn maar!“ zegt hij . “Dat is goed.” zegt de fee.
Ze geeft het kleine mannetje nog een kus op zijn voorhoofd en verdwijnt. Dan holt het kleine mannetje naar het konijn. Zou ze al vrij zijn? Maar bij het konijn aangekomen ziet hij dat ze nog steeds vastzit. Heeft de fee hem voor de gek gehouden? Nogmaals rukt hij uit alle macht aan de strop. En op dat moment gebeurt het. Het kleine mannetje groeit en groeit. Hij wordt zo groot dat hij het konijn uit de strop kan bevrijden. De liefde heeft hem groot gemaakt. Dat is de weg van Jezus! Amen.