Lezingen: Genesis 3, 1-7. 1 Joh. 4, 7-10
Voorganger: ds. Dick van der Vaart
Gemeente van Christus,
In Genesis 2 lezen we dat God als een pottenbakker de mens boetseert uit klei: stof van de aarde vermengd met water. Hem de levensadem inblaast en hem dan de Hof van Eden als woonplaats schenkt. Midden in de hof staan twee bomen: de boom van het leven die de mens eeuwig leven schenkt en de boom van kennis van goed en kwaad. Van alle bomen in de hof mag de mens eten maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad.
Je kunt dit verhaal alleen begrijpen wanneer je kennis hebt van de scheppingsverhalen uit de culturen die Israël omringen. In die scheppingsverhalen worden de goden en de mensen afgeschilderd als concurrenten. De goden zijn bang dat de mensen hun van de troon zouden stoten. Daarom verbergen ze voor de mens het kruid dat hun eeuwig leven zou schenken. Wanneer mensen eeuwig zouden leven zouden ze veel te gevaarlijk worden voor de goden.
In het scheppingsverhaal in Genesis 2 wordt een heel ander beeld geschetst van de verhouding tussen God en mens. God en mens zijn geen concurrent van elkaar. God is niet bang voor de mens. Hij plaatst de boom waarvan de vruchten eeuwig leven schenken midden in de hof. De mens mag ervan eten zoveel hij of zij wil. God gunt de mens het eeuwig leven. God wil de vreugde van het eeuwige leven met hem delen.
God zegt tegen de mens: “Van alle bomen in de hof mag je eten maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad, wanneer je daarvan eet zul sterven.” Dat is geen dreigement van God maar een waarschuwing. Deze is te vergelijken met een waarschuwing van een moederkip voor haar kuikens. De moederkip scharrelt met haar kuikens onder een broedlamp die warmte en licht verspreid.
”Blijf onder de broedlamp” waarschuwt zij haar kuikens “want daarbuiten is het donker en koud, daar zul je omkomen.”
Met kennis van goed en kwaad wordt niet bedoelt dat de mens wanneer hij van de boom eet het verschil tussen goed en kwaad in ethische zin leert kennen. Er wordt mee bedoeld het verschil tussen geluk en ongeluk. God gunt de mens alle geluk van de wereld en wil niet dat hij ongeluk zou leren kennen door het zelf te ervaren.
God wil dat de mens gelukkig leeft in harmonie met Hem.
Dan lezen we in Genesis 3 over de slang. De slang die het sluwste dier is die God geschapen heeft. In de cultuur waarin dit verhaal geschreven is werd de slang beschouwd als een dier die beschikt over bijzondere wijsheid. Omdat de slang zijn oude huid kan afleggen en voortleven in een nieuwe huid gelooft men dat hij het geheim van het eeuwige leven kende. En daarom staat er in ons verhaal dat hij het sluwste van alle dieren van het veld zou zijn.
Theologen hebben in de slang vaak het symbool van de duivel gezien. Maar dat is niet aannemelijk. Van de slang wordt gezegd dat God hem gemaakt heeft. Hij is gewoon een schepsel. En God schept geen duivel. De slang is het symbool van angst, angst in het hart van de mens.
De slang vroeg aan de vrouw: “Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?” Dit klinkt als een open vraag maar het blijkt het begin te zijn van een twijfel aan de liefde van God die de vrouw bekruipt. Dit blijkt uit het antwoord aan de slang:
“We mogen de vruchten van alle bomen in de hof eten,” antwoordt zij, “behalve van de boom in het midden van de tuin.” En tot zover geeft zij de woorden van God goed weer. Maar dan voegt zij er woorden aan toe: “We mogen de vruchten van de boom zelfs niet aanraken.“ De vrouw verscherpt het gebod van God. En dat doet zij omdat ze in zichzelf al de neiging waarneemt om haar hand uit te steken en van de vruchten te eten. Ze onderdrukt die neiging door het gebod te verscherpen.
“Wanneer we van de vruchten eten of deze aanraken zullen we sterven” zegt de vrouw. Maar de slang antwoordt: “Jullie zullen helemaal niet sterven maar God weet dat als jullie ervan eten jullie de ogen zullen opengaan en dat jullie dan als goden zullen zijn, kennende goed en kwaad.”
De slang zaait twijfel in het hart van de vrouw. De slang is het symbool van twijfel in het hart van de vrouw. De vrouw was ervan overtuigd dat God een liefdevolle God was die haar en haar man het eeuwige leven gunde en samen met hen in eeuwigheid avondwandelingen wilden maken in de avondkoelte. Maar nu bekruipt haar de angst dat God niet het beste met haar voor heeft maar haar en haar man eigenlijk als concurrenten ziet die hij door het verbod van de boom te eten dom en klein wil houden.
En de vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man die bij haar was en ook hij at ervan. En dan blijkt de situatie opeens totaal veranderd te zijn. Man en vrouw leefden in liefdevolle harmonie met God en met elkaar maar opeens ontdekken ze naakt te zijn en schamen ze zich voor God en voor elkaar.
Het omslag punt was hun veranderde beeld van God. Ze geloofden dat God een liefdevolle God was en met liefdevolle ogen naar hen keek. En een mens schaamt zich niet voor zijn of haar naaktheid wanneer je weet dat de liefdevolle blik van een ander je bekleedt met een mantel heerlijker dan die van koning Salomo en mooier dan de bloemen op het veld. Daarom schaamden de mensen zich niet in hun naaktheid voor God. En ze schaamden zich niet in hun naaktheid voor elkaar omdat ze elkaar met liefde bekleden.
De naaktheid is ook een herinnering aan de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van een mens. God boetseerde de mens van het stof van de aarde vermengd met water. Hij blies hen de levensadem in en keek hen vol liefde aan. De mens vergat zijn kwetsbaarheid, breekbaar te zijn als aardewerk.
Toen Adam en Eva God zagen als een liefdevolle God was hun kwetsbaarheid en breekbaarheid en vergankelijkheid geen probleem. Ze vertrouwden erop dat zij wanneer ze zouden sterven geborgen zouden zijn in God. Ook waren ze niet bang om te zondigen. Ze geloofden dat God een liefdevolle God was die hun zonden zou vergeven. Ze waren niet bang voor de dood, ze waren niet bang dat God hen zou straffen voor hun zonden. Ze leefden in harmonie met God en met elkaar.
Maar toen hun godsbeeld veranderde. Toen ze niet langer geloofden dat God een liefdevolle God was maar hen als concurrenten beschouwde. Toen ze gingen geloven dat God bang voor hen was toen veranderde alles.
Het leven in harmonie met God was een paradijs. Het leven in harmonie met God is een paradijs ook voor ons. Te geloven dat God een liefde is in Wie wij in dit leven en ook na dit leven geborgen mogen weten, is een paradijselijk weten. Te geloven dat God een Goed van liefde is die ons niet straft voor onze zonden maar ons vergeeft, is een paradijselijk weten.
En zoals Johannes ons in zijn brief verzekert: God is liefde. Laten we daaraan niet twijfelen zoals Adam en Eva deden maar dit geloven zoals Jezus ons leerde. Amen