Lezingen: Psalm 80 en Lucas 20, 9-19
Voorganger: ds. Dick van der Vaart
Gemeente van Christus,
In de beide Schriftlezingen van vanmorgen in psalm 80 en Lucas 20 wordt het beeld opgeroepen van een wijngaard. Wijn is het symbool van een feestelijk leven. Zonder water en brood kunnen we niet. Zonder water en brood kunnen we niet overleven. Zonder wijn zouden we wel kunnen overleven maar om het leven te kunnen vieren hebben we wijn nodig.
Wanneer Noach met zijn gezin na lange tijd in de ark verbleven te hebben ziet dat het water van de zondvloed gezakt is, verlaat hij de ark. En dan denk je dat het eerste dat hij zal doen het ploegen van een akker en het zaaien van graan zal zijn. Maar wat doet Noach? Hij plant een wijngaard. Het leven mag worden gevierd. Het doel van Gods schepping was het vieren van het leven: daarom plantte God een hof in eden, een waar paradijs. En daarom plant Noach bij de herschepping een wijngaard.
Door het O.T. heen, bij de profeten en in de psalmen zijn de wijngaard en de wijnstok het beeld van het land en het volk Israël. God bevrijdt het volk uit de slavernij in Egypte en wil het volk een land schenken dat vloeit van melk en honing. Een land waar vrede heerst en iedereen in eigen wijngaard kan genieten van de zon met een goed glas wijn in de hand.
Bij de berg Sinaï maakt God duidelijk hoe de droom van een welvarend en vreedzaam land werkelijkheid kan worden. Met het oog daarop geeft God de leefregels voor het leven in het beloofde land. Niet doodslaan, eert uw vader en uw moeder, werk geen zeven dagen in de week maar houdt een dag in de week rust, pleeg geen roofbouw op het land maar laat iedere akker om de zeven jaar een jaar braak liggen zodat de grond kan herstellen, laat geen grote sociale ongelijkheid in het land ontstaan maar herverdeel om de zeven maal zeven jaar alle rijkdom, zorg voor de vreemdeling, de weduwe en de wees. Wanneer het volk zich aan deze regels houdt kan er een prachtige samenleving worden opgebouwd: vreedzaam en sociaal en kan er welvaart ontstaan. In deze samenleving kan de liefde tussen God en mens en de liefde tussen mensen en de liefde van de mensen voor de schepping centraal staan. En zo ontstaat er een leven dat al een bruiloftsfeest kan worden gevierd. Een prachtig beeld!
Wanneer het volk in het land Israël aangekomen is begint het vol goede moed aan de opbouw van het land, hopend dat de droom verwezenlijkt kan worden.
Maar de praktijk bleek weerbarstig. Het volk vergat de leefregels van God die de ideale samenleving mogelijk zou kunnen maken. En stuurt God profeten om het volk aan zijn aanwijzingen te herinneren.
De profeet Jesaja is hier een voorbeeld van. In Jesaja 5 lezen we:
“Voor mijn geliefde wil ik zingen, het lied van mijn lief en zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard, gelegen op vruchtbare grond. Hij bewerkte de grond, haalde stenen eruit en plantte een edele druivensoort. Hij bouwde er een wachttoren, hakte ook een perskuip uit. Hij verwachtte veel van zijn wijngaard, maar die bracht slechts wrange druiven voort.”
En Jesaja noemt als voorbeeld van zo’n wrange vrucht dat mensen zich huis na huis toe eigenen, akker na akker samenvoegen tot er voor niemand meer ruimte is en zij alleen het land bewonen. Het volk heeft zich dus niet aan de leefregel gehouden dat de welvaart om de zeven maal zeven jaar in het jubeljaar weer herverdeeld moet worden. In die 49 jaar gaat het sommigen voor de wind anderen niet en dan moeten sommige boeren hun land afstaan aan hen die beter geboerd hebben. En zo ontstond grootgrondbezit met een paar superrijken een grote groep arme slaven. Een ontwikkeling die je tot op de dag van vandaag over heel de wereld kunt waarnemen. En juist dit wilde God voorkomen in het land Israël. En hiertegen protesteerde de profeet Jesaja dus.
En zo komen we uit bij de lezing uit het evangelie van Lucas waar Jezus de gelijkenis van de wijngaard vertelt: Een man legde een wijngaard aan en verpachtte die aan wijnbouwers waarna hij op reis ging. Na verloop van tijd stuurde hij een knecht naar de wijnbouwers om het deel van de oogst dat de eigenaar toekwam in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers ranselden hem af en joegen hem weg. Dit gebeurt vervolgens nog een tweede en derde keer. Dan besluit de eigenaar om zijn geliefde zoon te sturen in de veronderstelling dat ze voor hem wel respect zullen hebben. Maar wanneer de wijnbouwers hem zien komen overlegden ze en zeggen: ”Laten we hem doden dan is de erfenis voor ons.” En dan gooien ze hem de wijngaard uit en doden hem.
De wijngaard dat is het land en het volk Israël. De eigenaar van de wijngaard is God. De knechten die de pacht komen innen zijn de profeten. De geliefde zoon dat is Jezus.
De wijnbouwers die de knechten van de eigenaar mishandelden en wegjoegen en de zoon van de eigenaar doodden dat zijn de schrift geleerden en de hogepriesters.
“Wat zal de eigenaar van de wijngaard doen nu zijn zoon gedood werd?”, vraagt Jezus. En hij antwoordt: “Hij komt zelf, doodt de wijnbouwers en geeft de wijngaard aan anderen.” Jezus roept het beeld op van een nieuwe ballingschap. Daarom roepen de omstanders: “Dat nooit!” Dat zou het ergste zijn wat ze zou kunnen overkomen.
De schrift geleerden en hogepriesters begrijpen heel goed dat Jezus hen bedoelde met de wijnbouwers die de knechten mishandelden en wegjoegen en de zoon doodden. Ze willen hem op dat moment al laten arresteren maar durven het nog niet omdat ze bang zijn voor de reactie van het volk.
De beeldspraak maakt duidelijk dat Jezus zichzelf ziet staan in de traditie van de profeten die het volk telkens weer herinneren aan het visioen van een land dat vloeit van melk en honing, een land waar ieder in zijn eigen wijngaard zit, een land waar gezorgd wordt voor de vreemdeling, de weduwe en de wees, een land waar men eerbied heeft voor de schepping, een land waarin de liefde voor God, de medemens en de schepping wordt beleefd en gevierd.
De profeten spraken al vanuit een innige band met God maar Jezus ervaart die band nog sterker: Hij noemt God Vader omdat God Hem Zoon noemde bij zijn doop.
Waarom hadden de schrift geleerden en hogepriesters zo’n hekel aan Jezus terwijl hij toch zo overduidelijk in de traditie van de profeten stond?
Dat was omdat het land bezet werd door de Romeinen. De Romeinen stonden de door hen overwonnen volkeren godsdienstvrijheid toe onder voorwaarde dat die godsdienst geen bedreiging zou vormen voor de Romeinse macht.
Maar de joden leden natuurlijk onder de Romeinse bezetting. Ze werden uitgebuit, leden armoede en honger en wilden vrijheid. Voortdurend dreigde er opstand.
De schrift geleerden en hogepriesters voelden zich instaan tussen het volk dat opstand wilde en de Romeinen die zo’n opstand genadeloos zou neerslaan en een einde zou maken aan hun godsdienstvrijheid.
En zij wisten dat het volk in Jezus een opstandelingenleider in opkomst zagen. Bovendien ging Jezus in hun ogen veel te vrij met de leefregels van God om en had Hij het lef om in Naam van God te spreken. Daarom wilden ze Hem uit de weg ruimen.
En hoewel Jezus hen keer op keer duidelijk maakte dat Hij geen opstand met geweld wilde organiseren bleef dit misverstand bestaan, zowel bij de schrift geleerden als onder het volk. Dit heeft Jezus het leven gekost.
Maar met de dood van Jezus ging het visioen van het land dat vloeit van melk en honing niet ten onder. In het N.T. wordt dat visioen “het Koninkrijk van God” genoemd of “de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.” Jezus werd gedood maar hij bleef niet in de dood. God wekte Hem op en Hij leefde en leeft voort in Zijn gemeente “het lichaam van Christus.” De leefregels van God in het O.T. en het leven van Jezus in het N.T. laten ons zien hoe die nieuwe hemel en die nieuwe aarde werkelijkheid kunnen worden.
De opwekking van Jezus uit de dood laat zien dat de dood van mensen die zich wereldwijd inzetten voor vrede en recht en heelheid van de schepping niet het einde van hun strijd betekent. Hun dood is niet vergeefs. Hun strijd gaat door. Hen zal recht worden gedaan.
Amen.